Nieuwsbrief

 

Eldad Kisch

"Profiling"
Lees zijn column
 
Geef het andere Israël moed

Lees verslag 2015

Klik hier

 
 

Denk niet

'ik kan niets doen'

Klik hier

 

Column Eldad Kisch

Liefde voor het land

23-01-2016

 

Deze zaterdag was een nogal bijzondere medische dag met de mobiele kliniek van PHR (Physicians for Human Rights). Het gewone patroon is al zo bekend bij mijn trouwe lezers, dat ik er niet meer over schrijf om jullie niet te vervelen. Dit keer ging de reis naar de bedoeienen in het meest noordelijke bezette deel van de Jordaanvallei, dat grenst aan Beit Shean. Dat is een eind rijden vanuit het centrum van het land en daarom gingen we 's ochtends ook vroeger weg dan gewoonlijk. Ik was in die buurt  ooit eerder geweest met mijn vrouw Annelien die helpt met haar organisatie MachsomWatch om de ergste noden te lenigen door warme kleren te verstrekken en met hoognodig ander materiaal. Ik heb toen ook gerapporteerd over de onmogelijke toestand daar.

Deze bedoeienen van de stam Al-Farisi zitten al vele generaties in deze streken, maar zijn de autoriteiten een doorn in het oog (om geen andere onwelvoegelijke uitdrukkingen over doornen elders te gebruiken). Zij wonen zoals gebruikelijk in tentenkampen en leven van karige landbouw en karige veeteelt. Er zijn nogal wat kleine samenscholingen van tenten in die streek. Elk bedoeienenkamp heeft bij de ingang een duidelijk bord met als opschrift: 'Verboden toegang. Levensgevaar. Militair oefenterrein'. Dat arme leger, die hebben nergens anders om te oefenen met echte granaten dan precies hier! Niet weinig bedoeienenkinderen raken gewond door achteloos achtergelaten levende granaten.

De tenten van de bedoeienen zijn al vele malen neergehaald door het leger, en de plaatsvervangende tenten van het Rode Kruis of andere hulporganisaties worden op hun beurt in beslag genomen, in weer of geen weer. Ook de schuren voor de dieren - schapen, geiten, kippen, een enkele koe - worden omgebulldozerd en de kale beplanting door het leger degelijk omgeploegd. De bronnen zijn volgegooid met zand en stenen. Bitter detail: water moeten de bedoeienen zelf kopen en van verre aanvoeren, terwijl de dikke pijp van Mekorot, de Israëlische waterleiding, voor hun tenten loopt, maar daar moeten ze over een dijkje overheen rijden en er vooral niet van gebruiken! Dit is 'holy water' alleen bestemd voor de settlers ernaast. Scholen mogen niet gebouwd worden en de weinige gelukkige schoolkinderen moeten ver weg getransporteerd worden, als ze al niet veelvuldig teruggestuurd worden bij de controleposten. Van regelmatig artsenbezoek is helemaal geen sprake en de medische verzorging bleek dan ook beneden elk peil.

De bedoeienen hebben iets heel emotioneels lopen met hun land, en ondanks de onvoorstelbare pesterijen blijven ze hardnekkig op hun land zitten, in diepe armoede, in de forse koude van nu en zonder schaduw in de zomer, tot de volgende vernielende actie van het leger onder het motto 'opdonderen', en dan begint alles weer opnieuw.

 

Zo reden we op een gure, grauwe dag naar het noorden. Zoals gebruikelijk werden we verwelkomd door allerlei hoogwaardigheidsbekleders. De sprekers klaagden allemaal over de zinloze vernielingen en de bijna onmogelijkheid om een beetje redelijk de kost te verdienen onder deze omstandigheden. Bij het eerste kampje heerste totale wanorde, want er is daar niets waar wij kunnen werken. Tot er oplossingen waren gevonden voor onze kliniek ter plaatse stonden we buiten te kleumen. Uiteindelijk kregen we met vier artsen ieder een hoekje van een vrij grote bedoeienentent, en nog een arts ergens anders. Er waren alleen stoelen, geen tafels om over onderzoekbedden helemaal niet te spreken. Daarna gingen we naar een tweede kampement, waar de wanorde zich herhaalde omdat ook daar niets is waar een polikliniek gehouden kan worden. Van tijd tot tijd regende het en 's middags kwam er zelfs een flinke stortbui naar beneden, die ons gelukkig net onder een afdakje aantrof. Onze patiënten bevestigden de grote moeilijkheden van hun leven ter plaatse, maar hun wil om daar te blijven is evident.

Door het tijdverlies moesten we nog twee kampementen overslaan. Zoals altijd bij dit soort medische tochten staan onze gastheren er op ons na het medische werk een maaltijd aan te bieden. Dit is een teken van de befaamde Arabische gastvrijheid en zij weigeren hier van af te zien; dat is hun eer te na. Wij, de artsen, hebben al vaak geprobeerd deze fase over te slaan, maar geen schijn van kans. Echte bedoeienen serveren aan geëerde gasten schapenvlees, rijst en een soort slappe yoghurt, en dat wordt gezamenlijk met de vingers gegeten uit grote schalen. Toen sommigen van de gasten wat zuinig keken brachten ze gauw een paar lepels voor de fijngevoeligen onder ons. Het was best lekker, maar ik heb toch liever een eigen bordje.

Dit is dus geen mooi verhaal over hoe wij in Israël en omstreken met onze minderheden om gaan.

Als besluit van de dag gingen we op condoleantiebezoek in Taibe bij een Arabische ziekenbroeder die al jaren met ons werkt in PHR; voor mij weer een nieuwe ervaring.