Nieuwsbrief

 

Eldad Kisch

"Profiling"
Lees zijn column
 
Geef het andere Israël moed

Lees verslag 2016

Klik hier

 
 

Denk niet

'ik kan niets doen'

Klik hier

 

Zestig jaar Israël. De oorlog gaat door.

Zestig jaar Israël. De oorlog gaat door.

Door Uri Avnery

 

Elke keer als ik de stem hoor van David Ben Gurion die de woorden uitspreekt “daarom zijn wij hier bijeen…”, denk ik aan Issar Barsky, een charmante jongen, de jongere broer van een vriendin van mij. De laatste keer dat we elkaar zagen, was voor de eetzaal van kibboets Hulda, op vrijdag 14 mei 1948.

 

De volgende avond zou mijn compagnie Al Qubab aanvallen, een Arabisch dorp op weg naar Jeruzalem, ten oosten van Ramle. We waren ons druk aan het voorbereiden. Ik was mijn Tsjechische geweer aan het schoonmaken, toen er iemand kwam vertellen dat Ben Gurion een redevoering aan het houden was over de stichting van de staat.

 

Eerlijk gezegd had niemand van ons veel belangstelling voor redevoeringen van politici in Tel Aviv. De stad leek ver weg. De staat, zo wisten we, was onze zaak. Als de Arabieren zouden winnen, zou er geen staat zijn en geen onze zaak. Als we wonnen, zou er een staat zijn. We waren jong en vol zelfvertrouwen en we twijfelden er geen moment aan dat we zouden winnen.

 

Maar er was één kleinigheid waar ik werkelijk nieuwsgierig naar was: hoe zou de nieuwe staat gaan heten? Judea? Zion? De Joodse Staat?

 

Dus haastte ik me naar de eetzaal. De onmiskenbare stem van Ben Gurion schalde uit de radio. Toen hij de woorden sprak "...namelijk, de Staat Israël", had ik genoeg gehoord en liep de zaal uit.

 

Buiten kwam ik Issar tegen. Hij maakte deel uit van een andere compagnie die 's avonds een ander dorp zou aanvallen. Ik vertelde hem hoe de staat zou gaan heten en zei "pas goed op jezelf!". Een paar dagen later werd hij gedood.  Ik herinner me hem zoals hij toen was: een jongen van 19, een vrolijke, grote sabre vol levensvreugde en onschuld.

 

Hoe dichterbij de grandioze festiviteiten van de 60-ste verjaardag komen, des te meer vraag ik me af: als Issar, nog steeds als een jongen van 19, zijn ogen zou openen en ons zou zien, wat zou hij dan denken van de staat die op die dag officieel was gesticht?

 

Hij zou een staat zien die hij zich in zijn wildste dromen niet had voorgesteld.  Een kleine gemeenschap van 635.000 mensen (van wie er meer dan 6.000 samen met hem in die oorlog zouden sneuvelen), is een bevolking van meer dan 7 miljoen geworden. De twee grote wonderen die we tot stand hebben gebracht - de herleving van het Hebreeuws en de Israëlische democratie - blijven een realiteit. Onze economie is sterk en op sommige terreinen - zoals hi-tech - spelen we in de eredivisie. Issar zou verbaasd en trots zijn.

 

Maar hij zou ook voelen dat er iets mis was gegaan in onze maatschappij. De kibboets waar we die dag onze kleine bivaktenten hadden opgezet, is een gewone commerciële onderneming geworden. De sociale solidariteit, waarop we zo trots waren, is ingestort. Massa's volwassen en kinderen leven onder de armoedegrens, de zieken en de werklozen moeten zichzelf maar bedruipen. De kloof tussen rijk en arm is dieper dan in de meeste ontwikkelde landen. En onze maatschappij, die ooit onder de vaandel van gelijkheid en gerechtigheid liep, haalt collectief z'n schouders op en spreekt meteen weer over andere dingen.

 

Het meest nog zou hij geschokt zijn als hij ontdekte dat de wrede oorlog die hem, samen met duizenden anderen,  de dood injoeg en mij verwondde nog steeds op volle kracht doorgaat. De oorlog bepaalt het leven van de natie. De voorpagina's van de kranten staan er dagelijks vol van en de nieuwsbulletins beginnen ermee. 

 

En als hij ontdekte dat ons leger, het leger dat werkelijk van óns was, iets heel anders is geworden: een leger waarvan de hoofdtaak is een ander volk te onderdrukken.

 

Die avond vielen we inderdaad Al Qubab aan. Toen we het dorp inliepen was het al verlaten. Ik drong een huis binnen. Het eten stond nog op tafel. Op een plank vond ik een paar foto's: van een man die zijn haar net had gekamd, een dorpsvrouw, twee kleine kinderen. Ik heb de foto's nog.

 

Ik denk dat het dorp dat die avond door Issar werd aangevallen er net zo uitzag. De dorpelingen, mannen, vrouwen, kinderen, waren op het laatste moment gevlucht en lieten hun leven achter.

 

Het historische feit valt niet te ontkennen: Israëls Onafhankelijkheidsdag en de Palestijnse Nakba (catastrofe) zijn twee zijden van dezelfde medaille. In zestig jaar zijn we er niet in geslaagd en hebben zelfs niet eens geprobeerd om deze knoop te ontwarren door een andere werkelijkheid te scheppen.

 

En dus gaat de oorlog door.