Nieuwsbrief

 

Eldad Kisch

"Profiling"
Lees zijn column
 
Geef het andere Israël moed

Lees verslag 2016

Klik hier

 
 

Denk niet

'ik kan niets doen'

Klik hier

 

Beschouwing: Avraham Burg en Gregg Carlstrom over de toekomst van Israël

Beschouwing: Avraham Burg en Gregg Carlstrom over de toekomst van Israël

Vrijdag, 27 April 2018

Avraham Burg, In Days to Come: A New Hope for Israel, New York, Nation Books 2018, 336 blz. € 20,99

 

Gregg Carlstrom, How Long will Israel Survive? The Threat from Within, Oxford, Oxford University Press 2017, 256 blz. € 21,99

 

Beschouwing door Joyce Hes.


In deze bespreking wil ik de twee genoemde boeken van zichzelf politiek links noemende auteurs naast elkaar leggen en vergelijken op een paar terreinen die me
belangrijk lijken voor de toekomst van Israël, zoals (zicht op) vrede en de scheiding van kerk en staat.

 

Wat het eerste onderwerp betreft kom je in beide boeken signaleringen tegen van gemiste kansen op vrede en vredesbesprekingen. Zo wijst Carlstrom er op dat vlak na de Zesdaagse Oorlog in 1967 en in het kader van het realiseren van de eerste joodse nederzetting op de Westelijke Jordaanoever, vier leiders van de Mossad aan de regering het advies gaven om juist dàn een Palestijnse staat te vestigen omdat de meerderheid van  Palestijnse leiders op de Westelijke Jordaanoever op dat moment vrede wilde. Maar de linkse regering onder leiding van Eshkol negeerde dat advies en gaf toestemming om de nederzetting Kfar Etzion te realiseren. De seculiere leiders van de Arbeiderspartij konden, als oud-pioniers, de verleiding niet weerstaan en creëerden daarmee het begin van een uitdijende kolonistenbeweging. De volgens Carlstrom gehaaide Peres schreef het boek Tomorrow is now in 1978 waarin hij de nederzettingen een sleutelrol toekent om de veiligheid van Israël te waarborgen (pg 201).

 

Burg laat zien (p. 73-74) dat Sjaron en Begin in juni 1982 de vredesbesprekingen met Egypte abrupt afbraken om een oorlog in Libanon te starten die veel langer duurde dan zowel het leger als het publiek was voorgehouden. Terwijl zijn vader nog moeite had gedaan om de vredesbesprekingen met Egypte inhoud te geven, werd hij overruled door met name Sjaron. Burg zegt daarover: ‘De regering weet niets van de oorlog die in haar naam wordt uitgeroepen, en die door Sjaron wordt genoemd in haar naam wordt gevoerd.’ (p. 77)  

 

Wat betreft de scheiding tussen kerk en staat is Burg heel stellig: als die twee onderling te sterk verweven raken, raakt de democratie uit zicht. Daarmee is hij een trouwe leerling van zijn leermeester, de (controversiële) Israëlische filosoof Yeshayahu Leibowitz.

 

Burg betoogt verder dat Israëls overwinning in de Zesdaagse Oorlog en de nasleep daarvan diepe sporen achtergelaten heeft en dat er sindsdien kan worden gesproken van een gevaarlijke synthese tussen militant nationalisme en zielloos messianisme die leidden tot een Israël dat steeds extremistischer wordt. Dit alles leidt tevens tot een steeds groter wordende kloof tussen de verschillende bevolkingsgroepen (zoals seculieren en orthodoxen). Daarmee komt hij ook op het terrein van Carlstrom, die die verschillen tussen de verschillende bevolkingsgroepen in rechtspositie en maatschappelijke positie als groot gevaar voor het land beschouwt.


Burg gebruikt in zijn boek de metafoor van de Chanoeka-kandelaar die hij als twaalfjarige maakte uit kogelhulzen, die zijn moeder na afloop van de Zesdaagse Oorlog bij een bezoek aan de Klaagmuur vond. Deze kandelaar stelde het oorspronkelijke Chanoeka-licht letterlijk in een ander licht, het licht van de macht, de nationale trots, de overwinning. Het ‘groot’-Israël kwam in de plaats van het Israël als toevluchtsoord voor de joden die het antisemitisme hadden en wilden ontvluchten. Hij noemt dit de tweede fase. 

De derde fase is volgens Burg die van de wrekende en intolerante God uit het Oude Testament, zo heel anders dan wat Burg ziet als de kern van het jodendom, namelijk een universalistisch humanisme en een jodendom dat zich per definitie bezighoudt met interne disputen en contradicties.

 

Carlstrom stelt dat er in Israël zeer verschillende en tegengestelde opvattingen bestaan over wat bedoeld wordt met een joodse en democratische staat (p. 196). 69 procent van de ultra-orthodoxen en 49 procent van de religieuze zionisten vinden de staat te democratisch terwijl 59 procent van de seculiere joden de staat te joods vindt. En hij stelt de vraag: hoe kan het Israëlische politieke systeem miljoenen mensen vertegenwoordigen met fundamenteel verschillende visies op wat het betekent samen te leven? (p. 102)
Burg heeft op zich geen problemen met contradicties: ‘Wat niet gedefinieerd wordt door interne contradicties is per definitie niet joods,’ aldus Burg (p. 291). Net als Carlstrom heeft hij moeite met een bepaalde uitleg van jodendom als uitverkoren volk, want ‘gelijkheid en uitverkorenheid zijn een pijnlijke contradictie’ (p. 293).


Het verschil tussen de beide schrijvers zit naast de persoonlijke toon van Burg vooral in het toekomstbeeld dat wordt geschetst. Carlstrom is daar niet optimistisch over terwijl Burg (zoals ik ook omschrijf in mijn recensie van zijn boek in De Brug van maart 2018) een confederatieve staat van Israël en Palestina voor zich ziet met een schuine blik naar Europa en de EU. De vraag is wel of zijn optimisme, nu, jaren nadat hij zijn boek in het Hebreeuws presenteerde, nog standhoudt met in het achterhoofd de ontwikkelingen in datzelfde Europa richting nationalisme en extreemrechts.